Historische situering van coöperatief ondernemen |
Coöperaties ontstonden in de loop van de 19de eeuw als antwoord op de sociale, economische en politieke noden van de mensen. De Rochdale Pioneers kunnen als de voorlopers van de moderne consumentencoöperaties gezien worden. Hermann Schultze-Delitzsch en Wilhelm Friedrich Raiffeisen zijn dan weer de grondleggers van het financiële coöperatiewezen.
De Rochdale Pioneers |
In 1844 werd de Rochdale Equitable Pioneers Society opgericht door de zogenaamde Rochdale Pioneers - een groep van 28 mannen, waaronder heel wat wevers. Het zou de eerste keer zijn dat een coöperatieve winkel meer dan enkele maanden of jaren overleefde en uitgroeide tot een succesverhaal. Mits betaling van een lidgeld van 1 Pond kon men lid worden en genieten van de lagere prijzen tegen dewelke de verkochte waren in de winkel werden aangeboden. Het concept sloeg onmiddellijk aan, want in 10 jaar tijd steeg het ledenaantal van 28 naar 1.850. De huidige Co-operative Group kan als een rechtstreekse erfgenaam van de Rochdale Pioneers gezien worden. De Rochdale Pioneers werkten volgens 10 grondbeginselen die later zouden uitgroeien tot de basisprincipes van het coöperatief ondernemen:
Bron: Birchall (1997); van Dijk & Klep (2005)
Hermann Schultze-Delitzsch |
Franz Hermann Schultze, kantonrechter in het Pruisische Delitzsch, startte naar aanleiding van de hongersnood van 1846/47 met een coöperatieve zelfhulporganisatie voor winkeliers, handelaars en handwerklieden in verschillende Duitse steden. In 1850 richtte hij een coöperatieve spaar- en kredietkas voor deze sociale groepen op. Door het succes van deze formule werd in 1865 hieruit de eerste Duitse coöperatieve bank opgericht. Een belangrijk uitgangspunt hierbij was zelfhulp: deze coöperaties waren onafhankelijk van filantropie en dienden zelfbedruipend te zijn. Als parlementariër ontwierp Schulze-Delitzsch later mee de Pruisische wetgeving op coöperatief bankieren die de basis werd voor de latere Duitse wetgeving terzake. Hij was de mentor van de bij ons meer bekende Wilhelm Friedrich Raiffeisen, die zijn concept van zelfhulp overnam.
Wilhelm Friedrich Raiffeisen |
Wilhelm Friedrich Raiffeisen, burgemeester van verschillende arme boerengemeenten in het Duitse Rijnland, startte tijdens de hongersnood van 1846/47 met een broodvereniging die zich later uitbreidde naar het spaar- en kredietwezen (de zogenaamde Raiffeisen-kassen). In 1872 groeide hieruit de eerste landelijke coöperatieve bank (later bekend als de Raiffeisenbank). Hij richtte zich voornamelijk tot landbouwers, waarbij naast deze banken ook aan- en verkoopcoöperaties opgericht werden. Daar waar Raiffeisen aanvankelijk uitging van filantropie nam hij in de loop der jaren het concept van zelfhulp, zoals gepropageerd en uitgewerkt door Schulze-Delitzsch, over. In tegenstelling tot de eerder nuchtere Schulze-Delitzsch was Raiffeisen een idealist. Hij werkte dan ook volgende tien principes uit:
De eerste variant op deze kassen werd in België ingevoerd door pastoor Mellaerts - een van de latere stichters van de Boerenbond - in Heist-Goor (Heist-op-den-Berg). De eerste Belgische Raiffeissenkas werd in 1892 opgericht in Rillaar. De verspreiding van deze coöperaties zorgde uiteindelijk voor de oprichting van Cera (Centrale Raiffeissenkas). In Nederland is Rabobank een rechtstreekse erfgenaam van Raiffeisen.
Bron: van Dijk & Klep (2005); Buyst et al. (2002)
Indien u via e-mail op de hoogte wenst gehouden te worden van onze activiteiten, dan kan u zich hier registeren.